Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De aanvallen van Mataram op Batavia in 1628 en 1629.

Het was in dien tijd voor een leger een vrij hachelijke onderneming, van Midden-Java door het binnenland naar het westen te trekken. Groote wegen bestónden er bijna niet; men moest door vele streken, die nog woest en onbebouwd lagen, zoodat men vele levensmiddelen had mee te voeren. Aan een kleine tijdsruimte was een expeditie bovendien gebonden, daar men de jongste padioogst noodig had om het leger voldoende te kunnen voeden en de geheele krijgstocht afgeloopen rnoest zijn vóór het invallen der regens, die op vele plaatsen ondoorwaadbare moerassen deden ontstaan. Vóór eind Mei, begin Juni kon het leger dus niet vertrekken en tegen het eind van October moest het zorgen weer terug te zijn. In 1628 kon het Mataramsche leger, dat naar Batavia trok, zich vrij vlug voortbewegen, daar het geen geschut met zich voerde en desniettegenstaande arriveerde het pas den 25sten Augustus voor de stad. Dat het nog in December den terugtocht volbrengen kon, was te danken aan de ongewone droogte die den westmoesson van dat jaar kenmerkte.')

Over zee kon de geheele legermacht niet vervoerd worden; daarvoor had de soesoehoenan geen voldoende aantal prauwen en deze zouden tegen de groote schepen der Hollanders toch ook niet bestand zijn geweest. Slechts een deel der troepen kon, mét de levensmiddelen voor den tijd van het beleg, deze route nemen en dit geschiedde dan nog onder schijn van vriendschap.

Of het gerucht waar was, dat de Matarammers hulp aan de Portugeezen .te Malaka hadden gevraagd, om met hun schepen Batavia van de zeezijde te doen aanvallen, is niet na te gaan; bijstand werd er in ieder geval niet verleend.

Wel had Agoeng aan de bewoners van Oekoer en Soemedang gelast, hem bij zijn belegering van Batavia met 4000 man te steunen, een bevel dat zij onder leiding van hun hoofd Dipati Oekoer, den door Mataram aangestelden landvoogd in de Preanger, met tegenzin opvolgden. Bantam schijnt in de eerste vrees zijn hulp aan den Mataramschen legeraanvoerder te hebben aangeboden. Toen deze werd afgewezen hield het zich verder

3) Ook in 1629 en 1630 was het in den westmoesson buitengewoon droog.

Sluiten