Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neutraal, doch het wendde zich hoe langer hoe meer van de verliezende partij af. Gedurende het beleg van 1629 legde Bantam, om een oog in het zeil te houden, bij Ontong Java troepen, die zich onzijdig hielden. Zij hadden echter liever niet, dat de Matarammers met hun aanwezigheid aldaar bekend werden. De vorsten van Cheribon, hoewel vazallen, werkten hun opperheer eer tegen, dan dat zij hem hulp verleenden, door n.1. de Hollanders over de" nadering der Mataramsche troepen in te lichten.

Alle bewoners van West-Java sloegen met achterdocht en vrees den tocht van het Mataramsche leger gade, daar zij stellig hun onafhankelijkheid geheel en al zouden verliezen, als het de overwinning op de Hollanders behaalde. Dit nabije gevaar verhinderde hen het verderaf liggende te zien, dat zij n.1. ¬ębij een nederlaag van Mataram de kans liepen om op den duur hun vrijheid te moeten afstaan aan den overwinnenden vreemdeling, die van de verdeelheid in het land slechts voordeel kon trekken.

De aanvoerder van het eerste leger, dat, ongeveer tien duizend man groot, in Augustus 1628 naderde, was de regent van Kendal, tevens admiraal van de zeekust, Baoereksa, die zijn meester had. voorgespiegeld, dat het innemen van de stad licht werk zou zijn. Door spionnen had hij reeds lang te voren de gesteldheid van het fort en van de verdedigingswerken der stad doen opnemen en van dezen had hij vernomen, dat het zich alles nog in zwakken en onvoldoenden staat bevond. Op de prauwen, die de levensmiddelen zouden aanvoeren, plaatste Baoereksa keurtroepen, want het was de bedoeling dat zij aan de zeezijde, op hetzelfde tijdstip als het landleger aan de andere kanten, onverhoeds forf en stad zouden overrompelen.

Na de voorhoede van den regent zou een tweede leger verschijnen, onder aanvoering van Toemenggoeng Soera Agoel-Agoel, Kjai Adipati Mandoeraredja en Dipati Oepasanta, om, als de verrassing niet was gelukt, dan in elk geval de inneming van de stad tot stand te brengen.

De Hollanders kregen reeds in het begin van 1628 sterke aanwijzingen, dat er iets in Mataram broeide, doordat toen aan alle Javanen, die aan de kust woonden, verboden werd naar Batavia te varen, geen vreemdeling toegang tot het rijk verkreeg en degenen die er binnen waren er niet uit mochten, terwijl bovendien de uitvoer van rijst ophield. Intijds echter voorzag Batavia zich uit andere streken van een voldoenden voorraad.

Vermoedelijk om de Hollanders zorgeloos te maken en in de tweede plaats om de stad nog eens op te nemen, verscheen den 13den April Kjai Ronggo, een broeder van den Toemenggoeng van Tegal, met veertien prauwen rijst voor de stad, die hulp tegen Bantam kwam vragen en het verzoek deed om een gezant naar Mataram te zenden. Het eerste hield men in beraad, het tweede werd afgeslagen, daar men zeide den invloedrijken Baoereksa niet te vertrouwen en men bleef op zijn hoede.

Toen nu den 22sten Augustus plotseling een groote vloot van ongeveer zestig goraps en prauwen, bemand met wel negen honderd koppen en gevuld met vee, rijst, padi, klappers en suikerriet, alles door Baoereksa

Sluiten