Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgezonden, voor de stad verscheen, wekte dat bij de Hollanders terstorld groote achterdocht. Daarom liet men de prauwen met vee, die op de gewone plaats losten, weer buiten de boom brengen; de nog gevulde bleven echter in de kali bij de pasar liggen. Daarna verschenen er op de reede nog meer prauwen, die evenwel slechts om een vrijpas naar Malaka vroegen en buiten bleven liggen. In het kasteel vermoedde men, dat deze wapenen inhadden, om de eerder aangekomen manschappen daarvan te voorzien.') De boom op de rivier werd gesloten en binnen het kasteel hield men goed wacht. Aan twee bemande prauwen gaf Coen de opdracht te verhinderen, dat de nieuwe en de reeds geloste vaartuigen verbinding met elkaar kregen. Toch slaagden de laatsten daarin, terwijl bovendien de bemanning der twintig binnen liggende prauwen de buitenwachten van het kasteelplein overviel en het fort van alle zijden bestormde. Sommige der^javanen drongen er in binnen en verdreven van de wal aan de landzij iederen verdediger. Een neergelaten sluithek hield de aanvallers nog juist tegen, toen zij een der hoekbolwerken, (de Robijn op de Z. O. zijde) wilden betreden. Aan den zeekant liepen de Javanen uit de prauwen door het water tot op de berm van het zwakke bolwerk de Parel (op de N. W. hoek), welke plaats zij echter bij het aanbreken van den dag moesten verlaten, daar ze onvoldoende door de hunnen werden gesteund.

Op dienzelfden dag (25 Aug.) daagden nog een dertigtal andere prauwen op, welke, op het vernemen van de mislukking van den aanslag, in de Maroenda2) gingen liggen en den 26sten en 27sten arriveerde in goede orde en met vliegende vaandels — doch twee dagen te laat — ook het landleger met Baoereksa zeiven. Het legerde zich eerst in het zuidelijk gedeelte van de stad, waar Coen de weinige huizen inderhaast had laten slechten en verbranden, daar men besloten had dit stadsdeel te verlaten. Ditzelfde geschiedde met het gedeelte aan de westzij der Tjiliwoeng, zoodat de verdediging zich bepaalde tot het best ingerichte en versterkte noorderstadsdeel. Het geringe aantal weerbare manschappen 3) dwong de belegerden tot deze beperkende maatregelen. Alles wat er aan klapper- en andere vruchtboomen buiten de wallen stond en ook de tuinen en aanplantingen werden door de Javanen vernield. Tot verwondering der Hollanders, die slechts het ongeregeld vechten der Bantammers kenden, traden deMatarammers, mannen met krijgservaring, met veel beleid en overleg op.

Zij groeven loopgraven in het zuidergedeelte der stad en trachtten al spoedig het reduit Hollandia (het kleinere vestingwerk aan de binnenzij der wal, bij de brug over de Oost gracht4) af te snijden. Een honderd twintig

1) Binnen de boom komend moest men altijd zijn wapenen afleggen (mededeeling van Dr. F. de Haan).

2) Een riviertje tusschen Batavia en het tegenwoordige Tandjong Priok.

3) Het garnizoen bestond uit 529 koppen; hierbij kwamen bootsgezellen, burgers, Mardijkers, Japanners, Chineezen en slaven, tezamen vermoedelijk 3 a 4000 man.

4) Zie hierboven blz. 108.

Sluiten