Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer. Den dag daarop begonnen zij reeds hun geschut weg te voeren, want hun nood was op het hoogst gestegen. De overgebleven troepen, door ziekte en ellende uitgeput, trokken den 7den October van Batavia weg. De Hollanders lieten hen ongehinderd gaan, minder uit medelijden, dan wel, omdat zij het te gevaarlijk achtten om kleine troepen, door geen geschut ondersteund, in boschterrein een leger te laten aanvallen, terwijl stad en kasteel onbeschermd bleven.

Op den weg bleven er nog vele Javanen, die niet verder konden, liggen; hun wachtte dood of slavernij. Lijken van menschen, karbouwen en paarden, verlaten karren, wapens, sieraden en dergelijke wezen aan, welken weg het uitgehongerde leger gevolgd was.

Bij het eigenlijke Mataram gekomen, vonden de troepen alle toegangen afgezet, want niemand mocht meer binnen komen. Een der legerhoofden echter, Toemenggoeng Singaranoe, sloeg zich er met tien a veertien duizend man doorheen en werd door den soesoehoenan in genade aangenomen.

Daar er bijna niet gevochten was, bedroeg het aantal gesneuvelden aan Hollandsche zijde, de slaven meegerekend, slechts dertig, maar door1 ziekten, die de onhygiƫnische toestanden gedurende de beide belegeringen veroorzaakt hadden, waren er binnen weinige maanden ruim zes honderd blanken overleden en daaronder Jan Pieterszoon Coen.

De soesoehoenan heeft na deze beide tegenslagen geen aanval meer op Batavia gewaagd. Agoeng ging nog wel alle andere Javanen in macht te boven en leed, behalve schade aan zijn reputatie van onoverwinlijkheid geen noemenswaarde materieele nadeelen van de mislukte krijgstochten, maar zoowel hem als den anderen vorsten op Java was het na 1629 duidelijk geworden, dat de Hollanders op hun eiland een plaats verworven hadden, van waar zij hen niet konden verdrijven en dat zij er in moesten berusten, dat deze vreemdelingen daar vrij en onafhankelijk hun macht tot ontwikkeling brachten.

Sluiten