Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook deze cijfers moeten met de noodige voorzichtigheid worden geraadpleegd en met name is het de vraag, of de cijfers voor de allerlaatste jaren inderdaad ten volle met de vroegere vergelijkbaar zijn. In ieder geval zal de stijging gedurende 1916 en volgende jaren en inzonderheid het abnormaal hooge cijfer van 1918 voor een deel hieraan moeten worden toegeschreven, dat suiker, welke hier te lande steeds in voldoende hoeveelheid verkrijgbaar was, in allerlei vorm in het tijdperk van schaarschte tot bijvoeding heeft gestrekt. Ook aldus spreken deze cijfers evenwel een duidelijke taal en geven zij aan den algemeenen indruk, dat het verbruik hier te lande in tal van opzichten niet alleen dat van vrijwel alle landen van Europa overtreft doch zelfs het verbruik van vóór den oorlog evenaart, zoo niet in sommige opzichten teboven gaat, krachtiger» steun.

Met deze conclusie stemt ook overeen de ervaring nopens het bruinbroodverbruik in Nederland. Gelijk bekend, wordt thans hier te lande nog toeslag gegeven op het ongebuild tarwebrood, het zgn. bruinbrood. Het gevolg is dat, terwijl het indexcijfer voor het wittebrood van 100 in 1913 gestegen is op 260 in Juni 1920, deze stijging voor het bruinbrood slechts tot 151 is gegaan. Merkwaardig is nu, dat desniettegenstaande de cijfers nopens het broodverbruik in het algemeen eene vermindering van het verbruik van het goedkoopere bruinbrood en tegelijk eene verschuiving naar het duurdere wittebrood te aanschouwen geven.

Mededeelingen te dezer zake zijn verstrekt door den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in de Memorie van Toelichting bij het op 9 Februari 1920 ingediende ontwerp van wet tot aanvulling en verhooging van Hoofdstuk X der Staatsbegrooting voor het loopende jaar tot dekking van de kosten van beschikbaarstelling van levensmiddelen gedurende het eerste halfjaar 1920. Terwijl toch het verbruik van regeeringsmeel voor dit doel gedurende 1919 gemiddeld 16.000 ton per maand bedroeg, was dit op het oogenbiik van het indienen van het wetsontwerp tot 15.000 ton per maand gedaald en meende de Minister op verdere daling tot 14.000 ton in Mei en Juni te mogen rekenen.

De feitelijke teruggang is zelfs nog grooter geweest. Gelijk door tusschenkomst van de afdeeling Volksvoeding aan de Staatscommissie werd

Sluiten