Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het behoeft wel geen betoog, dat in dit verband de cijfers nopens den in- en uitvoer hier te lande van zeer groote beteekenis zijn. Inderdaad zijn deze van dien aard, dat zij ernstige bezorgdheid moeten wekken.

Dat in 1919 tegenover een totalen uitvoer van ƒ 1.731.721.465 een invoer stond van ƒ 3.296.085.060, latend een invoersaldo van niet minder dan / 130 millioen per maand, kon tot zekere hoogte worden verklaard uit de behoefte de uitgeputte voorraden hier te lande aan te vullen. Uit de cijfers van 1920 blijkt intusschen, dat in deze hoogst ongunstige verhouding tot dusver geenerlei verandering is gekomen:

Augustus 1920. Totaal Jan.-Aug. 1920.

Totale invoer / 267.956.122 / 2.108.041.631

uitvoer „ 130.018.883 ,. 1.073.905.860

Saldo invoer / 137.937.239 / 1.034.135.771

Waar in verschillend opzicht de voorraden hier te lande allengs een grooten omvang hebben aangenomen, kunnen uit deze cijfers zeker niet zonder meer voor de werkelijke consumtie hier te lande conclusies worden getrokken. Ook voor de afzonderlijke posten is een groote voorzichtigheid bij het maken van gevolgtrekkingen noodzakelijk, terwijl, door het geheel onvoldoende karakter der Nederlandsche handelsstatistiek vóór den oorlog, vergelijkingen met dat tijdperk niet of nauwelijks te maken zijn. Ongetwijfeld behoort Nederland tot de landen, wier handelsbalans ook vóór den oorlog regelmatig een passief saldo aanwees. Tekorten van zoo ontzaglijken omvang als de bovenstaande cijfers te zien geven, zijn echter volkomen abnormaal. Vermoedelijk is het slechts aan enkele belangrijke inkomstposten op de betalingsbalans, als de verhoogde inkomsten uit Indische cultures e.a., te danken, dat niet reeds eerder de wisselkoers dezen toestand weerspiegelde.

Gevaren voor De teekenen duiden er allerminst op, dat het proces van prijsstijging de toekomst. en toenemjng van koopkracht van verschillende groepen der bevolking met allen onvermijdelijk daaruit voortvloeienden strijd en fatalen

Sluiten