Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

commissies bestonden en dat in de meeste dezer gemeenten evenmin het voornemen bestond uit eigen beweging tot oprichting van zoodanige commissies over te gaan. Bij de groote meerderheid der gemeentebesturen vond evenwel een organisatie als in het rondschrijven uiteengezet toejuiching en door deze besturen werd vrijwel zonder uitzondering het bezit van bevoegdheden als boven omschreven wenschelijk geacht. Door enkele gemeentebesturen werd in dit verband gewezen op de Engelsche Profiteering Act.

Een en ander gaf aan de voorloopige denkbeelden krachtigen steun, waarna tot verdere uitwerking werd overgegaan. Middelerwijl begaf zich een subcommissie, bestaande uit den voorzitter, het lid Mr. Dr. E. van Ketwich Verschuur en den secretaris, naar Londen teneinde zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de werking der Profiteering Act. Deze subcommissie heeft zoowel van den toenmaligen parlementairen secretaris van den Food Controller, Mr. Mac Curdy, als van verschillende personen verbonden aan den Board of trade en het Profiteering Act Department uitvoerige inlichtingen ontvangen, terwijl zij tevens in een der Londensche gemeenten een zitting van het Local Committeè bijwoonde. Zij was bovendien in staat van verschillende zijden, met name ook van vertegenwoordigers der „Coöperative Wholesale Society", het voorloopig oordeel over de wet te vernemen. Over het algemeen was dit gunstig. Men verwachtte weliswaar, dat het aantal vervolgingen onder de wet niet talrijk zou zijn, doch dat zij vooral in preventieven zin eene nuttige functie zou hebben. Tegelijk bleken bij het zeer omvangrijke Central Committeè uitgebreide plannen te bestaan tot het instellen van onderzoekingen in een reeks bedrijfstakken. Van deze onderzoekingen zijn totdusver een vijftiental rapporten verschenen.

Het ontwerp der Staatscommissie is met de Memorie van Toelichting als bijlage D aan dit rapport toegevoegd. Naar beide wordt verwezen. Voorgesteld werd voor de vervulling hunner taak den Centralen Duurteraad en den Duurteraden bevoegdheid te verleenen tot het terugbrengen van prijzen, en den Centralen Duurteraad tevens tot het geheel of gedeeltelijk vernietigen van bedingen, waarbij de vrijheid om overeenkomsten aan te gaan werd beperkt. De Staatscommissie verheelde zich niet dat deze bevoegdheden van ingrijpenden aard waren, doch meende

Sluiten