Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat, wilde de regeling inderdaad praktisch resultaat opleveren, deze bevoegdheden niet gemist konden worden. De regeling werd beschouwd als van tijdelijken aard. Aan de Kroon werd de bevoegdheid voorbehouden, den Raad van State gehoord, te verklaren, dat de omstandigheden haar langer voortduren niet noodig maken.

Gelijk medegedeeld, werd het ontwerp op 29 October 1919 aan de Regeering aangeboden, waarna het, op enkele punten gewijzigd, op 27 November d.a.v. bij de Tweede Kamer werd ingediend. Deze verwierp het ontwerp op 26 Maart 1920.

Na de verwerping heeft de Staatscommissie zich ernstig de vraag gesteld, of en in hoeverre het verloop der behandeling haar aanleiding zou kunnen geven de zaak met inachtneming van de gebleken bezwaren, opnieuw onder de oogen te zien. In de Tweede Kamer was gebleken, dat de beide voornaamste bezwaren eensdeels de in art. 3 toegekende bevoegdheden betroffen en anderdeels het feit, dat het arbeidsloon niet aan de werking der wet onttrokken was. De slotsom van de overwegingen der Staatscommissie, was evenwel, dat haar geen nieuwe gezichtspunten waren geopend, die tot eene gewijzigde zienswijze aanleiding konden geven. Op een middelerwijl van den Minister ontvangen schrijven dienaangaande werd dan ook op 8 Mei j.1. door de Staatscommissie geantwoord:

„Bij schrijven van 31 Maart j.1. No. La. A., afdeeling Volksvoeding, „stelt Uwe Excellentie onze Commissie de vraag, of er, na het votum „der Stagen-Generaal met betrekking tot het Ontwerp-Duurtewet, naar „onze meening aanleiding bestaat, tot het in overweging nemen van „andere maatregelen ter bestrijding der duurte, en zoo ja, welke.

„Naar aanleiding hiervan heeft de Staatscommissie de eer Uwe „Excellentie mede te deelen, dat de behandeling van het Ontwerp„Duurtewet, waarvan de Staatscommissie de verwerping betreurt, geen „nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd, welke haar aanleiding kunnen „geven haar meening, neergelegd in het aan de Regeering aangeboden „wetsontwerp met toelichting, te herzien.

„De Staatscommissie betreurt het met name, dat deze verwerping de „mogelijkheid van onderzoekingen, in te stellen door een met voldoende „bevoegdheden bekleed orgaan, gelijk bedoeld in art. 2 van het „wetsontwerp, heeft doen vervallen, waarbij zij aanteekenen mag,

Sluiten