Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de Staatscommissie toeschijnen, dat zoodanige strafbaarstelling te ver „zou gaan en dat het betoog, dienaangaande op blz. 8 der Memorie „van toelichting onder 5 gevoerd, blijft gelden. Anders dan bij „contractueel ingrijpen moet bij strafrechtelijk ingrijpen naast het „algemeen belang ook de individueele strafwaardigheid van den bedrijver „staan. In tal van gevallen, waarin op zichzelf wellicht onredelijke „winsten gemaakt worden, is de oorzaak op zoo evidente wijze aan „algemeene omstandigheden te wijten en de daad van den individueelen „verkooper zoozeer een louter volgen van de markt, dat strafwaardigheid „uitgesloten schijnt.

„Het ontwerp-Duurtewet stelde slechts strafbaar het na waarschuwing „blijven nemen van buitensporige winsten en het handelen in strijd met „een in overleg met de duurtecommissie aanvaarde prijsregeling. In „beide gevallen ging dus een gebeurtenis vooraf, die voor de strafwaardigheid beslissend was. Zelfs winsten, die op zichzelf als buiten„sporig zijn te kenschetsen, kunnen aan algemeene omstandigheden te „wijten zijn.

„Het is dus de vraag, of men in de voorgelegde orde van denkbeelden „wel de winstneming als zoodanig kan strafbaar stellen en niet een „stap verder moet gaan en, gelijk b.v. in het op blz. 15 der Memorie „van Toelichting weergegeven artikel 419 van den Franschen Code Pénal „geschiedt, verschillende feiten moet strafbaar stellen die, terwijl zij in „hun gevolg tot onredelijke winsten kunnen leiden, öp zichzelf straf„waardig zijn. In het bijzonder wordt hier gedacht aan het terughouden „van voorraden en het beperken van productie of aanbod."

Aan dit in extenso weergegeven schrijven mag de Staatscommissie nog de conclusie verbinden, dat zij van oordeel blijft, dat practische bestrijding van het verschijnsel van prijsopdrijving slechts te bereiken is langs den weg van een organisatie omkleed met de bevoegdheden in het door de Staatscommissie ingediend wetsontwerp omschreven. De Staatscommissie erkent, dat deze bevoegdheden van ingrijpenden aard zijn en dat de factoren, welke het verschijnsel in de hand werken, zich, naarmate de oorlogstoestand verderaf komt te liggen, ten deele niet meer in denzelfden acuten vorm voordoen.' Reeds in het eerste hoofdstuk werd er evenwel op gewezen, dat ook thans in de wijze van

Sluiten