Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prijsvorming van een reeks goederen belangrijke verschillen met het tijdperk van vóór den oorlog blijven aan te wijzen, die mogelijkheid laten tot verschillende vormen van prijsopdrijving, welke bij een juist functionneeren van het stelsel van vrije mededinging uitgesloten zouden zijn geweest of althans binnen enge grenzen beperkt zouden zijn gebleven.

B. Maatregelen van particulieren en van gemeentewege; invloed der coöperatie.

De aard van het verschijnsel van prijsopdrijving brengt mede, dat ook het pubiiek zelf maatregelen van verweer kan nemen. Dit is dan ook van allerlei zijden geschied, met name in het meergenoemde tijdperk na den oorlog, toen op de aanvankelijke daling van' het prijsniveau een hernieuwde prijsstijging volgde. Dienovereenkomstig zijn tegen het midden van 1919 in een reeks van gemeenten organisaties van particulieren tot ontstaan gekomen, voor het grootste deel in den vorm van z.g. consumentenvereenigingen, welke zich ten doel stelden door maatregelen van verschillenden aard een druk uit te oefenen op de prijzen in den kleinhandel. Personen in gelijke omstandigheden, ambtenaren en andere groepen vereenigden zich tot dit doel, ook enkele vereenigingen van grooteren omvang kwamen tot stand.

Het is niet te ontkennen, dat, met de nader te bespreken maatregelen van gemeentewege, deze vereenigingen in den eersten tijd zekeren invloed ten goede hebben uitgeoefend. Intusschen was hare werkzaamheid beperkt. Voor een deel stelden zij zich in de eerste plaats ten doel met winkeliers overeenkomsten aan te gaan, strekkende tot het verkrijgen van kortingen voor hare leden op de prijzen van verschillende goederen. Een algemeene prijsdrukkende werking is van zoodanige overeenkomsten uiteraard niet te verwachten. En voorzoover deze vereenigingen zelve in den vreemde of bij den groothandel kochten, beperkte zulks zich in den regel tot enkele groepen van goederen. Het gevolg was dan ook, dat in de verschillende antwoorden der gemeentebesturen, in het najaar van 1919 ontvangen, op een desbetreffende vraag der Staatscommissie weliswaar de werkzaamheid dezer vereenigingen niet zonder belang werd geacht, doch in het algemeen, ook omdat zij op dat oogenblik nog slechts korten tijd werkzaam waren, zekere reserve in acht werd genomen. De vraag, of de werk-

Sluiten