Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk I uiteengezet. Naast den directen invloed op het prijsniveau, welke van zoodanige inperking uitgaat, staat verhoogde kapitaalvorming en steun aan de wisselkoersen, beide onder de huidige omstandigheden van het grootste gewicht.

Het behoeft intusschen geen betoog, dat het betrachten van soberheid en spaarzaamheid moeilijk bij de wet als plicht aan de bevolking kan worden opgelegd. Beide kunnen slechts gedragen worden door het inzicht der bevolking in hun noodzakelijkheid. Indirect kan de overheid niettemin tot het beoogde doel medewerken, met name door maatregelen op belastinggebied.

De eenige rijksbelasting, welke thans — de accijnzen buiten rekening gelaten — hier te lande direct de vertering belast, is de personeele belasting. Uit een opsomming van de grondslagen dezer belasting blijkt intusschen, dat die vormen van vertering, die uit een oogpunt van duurtebestrijding in de eerste plaats zouden moeten worden belast, door haar niet getroffen worden. Na de aanvulling, die de personeele belasting bij de wet van 19 September 1919, Staatsblad n°. 580, heeft ondergaan, zijn hare grondslagen thans de volgende: huurwaarde, mobilair, dienstboden, paarden, motorrijtuigen, pleiziervaartuigen en biljarten. De aard der heffing, die gebaseerd is op constateering van den grondslag éénmaal per jaar, brengt mede, dat deze grondslagen van min of meer duurzamen aard moeten zijn. De geregelde vertering van verbruiksgoederen, welke uit een oogpunt van inperking van verbruik als grondslag van belasting op den voorgrond zou hebben te staan, kan hierom bezwaarlijk in het kader dezer belasting worden ingevoegd.

Zulks is wel mogelijk bij een tweetal andere vormen van belasting, waaraan in dit verband nog enkele woorden mogen worden gewijd.

In de eerste plaats kan het denkbeeld eener algemeene verteringsbelasting worden overwogen, welke geheven zou worden op grond van het totale verbruik gedurende het afgeloopen jaar. In zekeren zin dus een aanvulling achteraf van de inkomstenbelasting, waarbij het niet verteerde doch bespaarde gedeelte van het inkomen over het afgeloopen tijdperk zou zijn vrijgesteld. De Staatscommissie acht het niet haar taak, de practische uitvoerbaarheid van het denkbeeld aan een onder-

Sluiten