Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

115 tot 120 procent zijn gestegen, wijzen bij de kosten van het levensonderhoud van thans nog niet op stijging van koopkracht.

Ondergeteekende zou uit de cijfers op zich zelf over het verbruik van boter en suiker, medegedeeld in het rapport der commissie, geen conclusie willen trekken ten opzichte van de stijging der koopkracht der arbeiders. Daartoe zijn de elementen van onzekerheid in deze verbruikscijfers te groot. Een verbruiksstatistiek zou zonder twijfel ter beoordeeling van de materie, waar het hier om gaat, belangrijke diensten kunnen bewijzen. Zij ontbreekt echter in ons land geheel, eri kan niet worden vervangen door uiteraard grove aanwijzingen als in de hier vermelde statistieken worden verkregen. Zijn voorbehoud is ten opzichte van deze cijfers dus grooter dan dat van de Commissie.

Evenwel meent hij, mede op grond van de budgetcijfers van het Bureau voor de Statistiek van de Gemeente Amsterdam, dat mag worden aangenomen, dat het levenspeil der arbeiders, wat betreft voorziening in behoeften, die zich uitspreekt in het verbruik van artikelen van noodzakelijk levensonderhoud, minstens gelijk staat met dat van voor den oorlog. Voor een zeker aantal groepen kan van stijging van dit peil worden gesproken. Gedurende het jaar 1920 is voor een aantal groepen deze verhouding gunstiger geworden dan zij in 1919 reeds was. Uiteraard is de stijging der koopkracht bij sommige groepen buiten de arbeidersklasse zeer veel grooter, doch dit wordt in het verdere betoog buiten beschouwing gelaten.

Aannemende nu, dat voor groote groepen uit de arbeidersklasse de koopkracht deels in 1919, deels in 1920 grooter is geworden dan deze voor den oorlog was en dat nog met verdere toeneming vari koopkracht zich uitdrukkende in loonsverhooging moet worden gerekend, dan.wordt niet betwist, dat belangrijke verschuivingen in de inkomensverhoudingen der bevolking daarmede kunnen samenhangen. Een gevaar voor de toekomst echter vermag hij in die ingrijpende wijziging niet te zien. Dit gevaar zou slechts ontstaan, wanneer werkelijk bleek, dat de productie van goederen niet toereikend zou zijn of niet toereikend kan worden gemaakt voor voorziening in de menschelijke behoeften op het nog zeer bescheiden peil, dat thans door de groote massa is bereikt. Er kan in deze diepgaande verandering in maatschappelijke verhoudingen,

Sluiten