Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kwartaal.

Ondergrondsche Bovengrondsche arbeiders. arbeiders.

Alle arbeiders te zamen.

1"' kwartaal 1918 4.92 3.39 4.48

2d« 5.20 3.65 4.73

3.i« " . 5.28 3.65 4.77

4*» * v 5.98 4.14 5.40

l5le " 1919 .... 6.13 4.16 5.52

2d. " 6.35 4.39 5.73

3d. " ... 6.56 4.44 5.88

4a« " " I 6.84 4.89 6.22

lste " 1920' '\ 7.12 4.95 6.46

2de " 7.46 5.11 6.75

Aangeteekend zij, dat voorts het Maandschrift van het Centraal Bureau in het nummer van Augustus 1920 o.a. nog cijfers geeft nopens loon en arbeidsduur van werklieden bij het Staatsboschbeheer.

III. Loonen in een aantal gemeentelijke gas- en electrictteitsbedrijven. Bron: mededelingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Loonen gas- en electriciteitsfabrieken.

Door het Centraal Bureau voor de Statistiek is een onderzoek ingesteld naar de loonen in een aantal gemeentelijke gas- en electriciteitsfabrieken op 1 Juli 1914 en 1 Juli 1920. De gegevens der gasfabrieken hebben betrekking op Rotterdam, •s-Gravenhage, Utrecht, Groningen, Arnhem, Tilburg, Enschede, Venlo en Middelburg, die der electriciteitsfabrieken op Rotterdam, 's-Gravenhage, Utrecht, Groningen, Arnhem en Tilburg. De loonen hebben betrekking cp het norfiale loon (dus exclusief overwerk enz.) van het volwassen personeel, dat bij de eigenlijke fabricage werkzaam is.

Berekend is in de eerste plaats het gemiddelde uurloon, waarbij rekening is gehouden met het aantal personen, dat werkzaam was. Dit uurloon bedroeg in de gasfabrieken in 1914: 25 cis. en in 1920: 745 ets. Voor de electriciteitsfabrieken waren deze cijfers 255 ets. en 755 ets. Stelt men de cijfers van 1914 gelijk 100, dan verkrijgt men in 1920 voor de gasfabrieken een indexcijfer van 298 en voor de electriciteitsfabrieken een van 296.

Teneinde ook rekening te kunnen houden met de verkorting van den werktijd van 1914 op 1919, is tevens een gemiddeld weekloon berekend. De gemiddelde uurloonen zijn hiervo r vermenigvuldigd met het normaal aantal arbelttsuren per week. Wederom is het aantal arbeiders, dat werkzaam was, in aanmerking genomen. Het gemiddeld weekloon bedroeg in de gasfabrieken in 1914: ƒ14,21; in 1920: t 32,965. Voor de electriciteitsfabrieken waren deze Cijfers resp. ƒ 14,54 en ƒ33,58. Stelt men de cijfers van 1914 gelijk 100, dan verkrijgt men in 1920 voor de gasfabrieken een indexcijfer van 232 en voor de electriciteitsfabrieken een van 231.

Sluiten