Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.

De raad is bevoegd den getuige of deskundige, mits deze den leeftijd van zestien jaren vervuld hebbe, den eed af te nemen; de getuige legt den eed af, dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, de deskundige, dat hij zijne taak naar zijn geweten zal vervullen.

De artikelen 17 en 23, eerste lid, der wet van 5 Augustus 1850 (Staatsblad n°. 45), gelijk die laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 10 Augustus 1919 (Staatsblad n°. 514), zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14.

Tot het afnemen van verhooren van getuigen en deskundigen houdt de raad zitting ter plaatse, door hem naar gelang der omstandigheden te bepalen.

Bij elk verhoor wordt de tegenwoordigheid van ten minste drie leden vereischt.

Artikel 15.

Indien een getuige of deskundige door ongesteldheid verhinderd wordt om voor den raad te verschijnen, kan deze aan een zijner leden opdragen hem te gaan hooren. Ten aanzien van dit verhoor vinden de bepalingen betreffende het verhoor door den raad overeenkomstige toepassing.

Het verhoor kan ook buiten de gevallen, voorzien bij artikel 20, tweede lid, plaats hebben met gesloten deuren.

Artikel 16.

De raad, eenig onderzoek instellende, doet daarvan een nauwkeurig proces-verbaal opmaken.

Het proces-verbaal wordt door den raad vastgesteld en ten bewijze daarvan door den voorzitter en den secretaris onderteekend.

Indien een getuige of deskundige onder eede is gehoord, onderteekent deze zijne verklaring, nadat die hem is voorgelezen of door hem is gelezen, en hij verklaart heeft daarbij te volharden.

Bij gebreke van onderteekening wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel vermeld.

Artikel 17.

Behalve in het geval van strafvervolging wegens meineed of wegens een der strafbare feiten, omschreven in de artikelen 192 n°. 2 en 444

Sluiten