Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevoegden burgerlijken rechter brengen. De wet behoeft daaromtrent niets te bepalen.

Op één punt intusschen is bijzondere voorziening gewenscht. Aan eene goede werking der wet zal in hooge mate bevorderlijk zijn, dat, met handhaving van het beginsel, dat alle geschillen dienaangaande door den burgerlijken rechter moeten worden opgelost, hij, die zich heeft verrijkt met een prijs boven den redenlijken, op snelle en eenvoudige wijze tot terugbetaling kan worden genoopt. Dit beginsel is in het wetsontwerp aanvaard en uitgewerkt in de artikelen 4, 23 en 24.

Bij het vierde lid zij nog opgemerkt, dat de bevoegdheid tot het terugbrengen van prijzen in den kleinhandel overeenkomstig artikel 27 toekomt aan de districtsraden. Zij is mitsdien aan den centralen raad onthouden. Het vernietigen van concurrentie-werende bedingen en van overeenkomsten in het algemeen is daarentegen, ook wat betreft den kleinhandel, aan den centralen raad opgedragen. In den kleinhandel zal vermoedelijk van laatstgenoemde bevoegheden slechts zelden gebruik behoeven te worden gemaakt, terwijl, wanneer zoodanige bedingen in den kleinhandel voorkomen, zij spoedig een breeder gebied zullen omvatten dan dat van den afzonderlijken duurteraad.

Artt. 4, 23 en 24. De algemeene overwegingen, die tot de opneming van deze bepalingen hebben geleid, zijn reeds in de toelichting tot artikel 3 medegedeeld. Vooral wanneer het gaat om prijsverlaging in den kleinhandel, is het volstrekt noodzakelijk, dat degeen, aan wien de onredelijke prijs is betaald, op eenvoudige wijze kan worden gedwongen tot terugbetaling van het te veel genotene. Practisch zal tot zoodanigen dwang vermoedelijk niet dan zeer zelden behoeven te worden overgegaan. Het feit, dat de duurteraad teruggave bevolen heeft, en de wetenschap, dat dit bevel op zeer eenvoudige wijze te zijnen koste kan worden ten uitvoer gelegd, zullen voor den winstnemer voldoende aansporing zijn het te veel genotene onverwijld terug te geven.

Daar het hier geldt eene burgerlijke schuldvordering, kan bij geschil de duurteraad geen beslissing geven. Als een zoodanige beslissing is het bevel dan ook evenmin te beschouwen, als zulks het geval is met het dwangbevel, dat de ontvanger der belastingen krachtens artikel 14 van de wet van 22 Mei 1845, Staatsblad 22, of het waterschapbestuuf krachtens artikel 3 der wet van 7 Mei 1902, Staatsblad 54, uitvaardigt. Wie zich door het bevel bezwaard acht, kan door middel van verzet zijn zaak aan het oordeel van den burgerlijken rechter onderwerpen.

Het gevolg zal dan ook zijn, dat de duurteraad in den regel slechts van zijn bevoegheid om de terugbetaling te bevelen gebruik zal maken, wanneer ten aanzien van de verplichting tot betaling en het te betalen bedrag tusschen belanghebbenden geen enkel verschilpunt bestaat. Mochten — wat in den kleinhandel zich vermoedelijk zelden zal voordoen — dergelijke geschilpunten van burgerlijk recht wèl bestaan,

Sluiten