Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden aangenomen, dat het in de Staatscourant gepubliceerd besluit ter kennis van belanghebbenden zal komen. Mogelijk is ook, dat partijen bij de overeenkomst zoo talrijk zijn in aantal, dat een mededeelingsplicht moeilijkheden zou medebrengen.

Artt. 23 en 24. Deze bepalingen zijn hierboven bij artikel 4 toegelicht.

Art. 25. Deze bepaling, welker sanctie in artikel 41 te vinden is, geeft tezamen met artikel 20, derde lid, en artikel 22, eerste lid, voldoenden waarborg, dat bedrijfsgeheimen niet zonder noodzaak ter kennis komen van het publiek.

Art. 26. De bedoeling is, dat in iedere belangrijke gemeente een duurteraad gevestigd zal zijn. Bij een soortgelijke verdeeling, als voor de Raden van Arbeid werd aanvaard, zou het aantal duurteraden 39 bedragen.

Art. 27. Voor de toelichting van het voorschrift, dat het ingrijpen van den duurteraad behoort te geschieden „in het algemeen belang", wordt verwezen naar artikel 2.

Ook het vereischte van klacht werd reeds toegelicht. Aangeteekend zij nog, dat de redactie van het eerste lid en die van-artikel 31, eerste lid, zoodanig zijn gekozen, dat de duurteraad bevoegd blijft klachten, die niet ter zake dienende zijn, terzijde te stellen. Dat ook hiervan aan den klager mededeeling behoort te geschieden, schijnt niet afzonderlijk voorgeschreven behoeven te worden. In het algemeen schijnt het noodzakelijk den duurteraad in zijn wijze van werken vrijheid van beweging te laten. Mocht het noodig blijken eenige algemeene regelen te stellen, dan kan zulks overeenkomstig artikel 47 geschieden bij algemeenen maatregel van bestuur.

Artt. 31 en 32. Vanzelf spreekt, dat, wanneer voor de betrokken gemeente geen duurtecommissie is ingesteld, het voorschrift inzake het hooren der commissie en het aan haar mededeelen van het besluit ongeschreven moet worden geacht.

Artt. 33 en 34. Deze bepalingen, waarmede de in artikel 32 voorgeschreven mededeeling van de besluiten der duurteraden aan den centralen raad samenhangt, zijn reeds op bladzijde 6 dezer memorie toegelicht.

Artt. 35 en 36. De vraag, of al dan niet tot instelling eener plaatselijke duurtecommissie moet worden overgegaan, laat het ontwerp aan Eurgemeester en Wethouders ter beoordeeling. Niettemin wordt de plaatselijke duurtecommissie, ook in het geheel van het wetsontwerp,

Sluiten