Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING

Omdat onze dichters, onze c/irisfen-dichters, magr niet alleen zochten naar het eeuwige, het goddeüjke, maar omdat zij ook gevonden hebben.

Laat de historie der eeuwen spreken, ook de historie der kunst, en zie, of de mensch niet altijd gegrepen heeft naar het eeuwige, het goddelijke.

Dat deden de heidenen, zich neerbuigend voor hun afgodsbeelden; dat deden Aeschylus en Sophocles. die den mensch, zij het dan ook op hun wijze en bij het licht, dat hun geschonken was, wezen op verzoening van schuld, hen iets doende gevoelen van de Majesteit Gods, van de grootheid der zedelijke wereldorde.

De mannen van '80 hebben evenzeer gezocht naar het eeuwige, het goddeüjke. Ze hebben gejubeld, toen ze in zich. in eigen dieper wezen, de schoonheid als het eeuwige dachten te vinden. Lofliederen hebben ze gezongen ter eere van de schoonheidsgodin.

Maar ze zijn teleurgesteld en nu reeds, nog maar zóó kort na '80, wordt er geklaagd, dat nog niet is gevonden, wat gezocht werd.

Zoo is dan het ideaal gestorven.

Maar hoe wilt ge u nu een dichter denken zonder levensideaal ?

Als het ideaal sterft, verstomt de dichtermond.

Kloos schenkt ons geen verzen meer; zoovelen van hen. die hem volgden, zwijgen, en slechts zij, die, zich

Sluiten