Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEET JE NOG

Ja, nu ben je heel deftig; ik noem je : „mevrouw".

Maar weet je 't nog van dien morgenstond,

toen het grasperk zoo nat was, nat van dauw,

je geen plaats om te zitten vond ?

Toen heb je je mantel neergelegd,

en we hadden ons zitje, ik en jij.

En ik heb je zoo iets Van liefde gezegd,

op dien morgen, dien morgen in Mei.

Ja, weet je 't nog van dien morgenstond ?

Nog zie ik je oogen, zoo büj, zoo blauw.

Nog voel ik den kus van je rooden mond

en nog hoor ik je woorden van trouw.

O, wat hadden we lief en wat waren we jong,

en we speelden als kindren, ik en jij.

En nog hoor ik den vogel, die voor ons zong

op dien morgen, dien morgen in Mei.

O, wat heb je geknord om je warrige haar,

en wat was je mantel nat van dauw.

We meenden het beide zoo goed, niet waar,

o zoo goed met die „eeuwige trouw".

'k Heb nog eens je gekust en toen ben je gegaan

en je handje, och, wenkte uit de verte mij.

En zoo lang ik je zien kon, heb ik gestaan

op het grasperk, dien morgen in Mei.

Sluiten