Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERLOREN ZOON

Vaarwel, mijn wandelstaf] En, gordel, wees ontbonden! En, voeten, weest ontschoeid: wij treden heilige aard! De ballingschap heeft uit: ten langen lest hervonden Wenkt ons weer 't vaderhuis in d'ouden bloesemgaard.

En weer, (te lang, helaas, in dwazen trots gemeden), Lokt van den laatsten top mij 't kronkelgrage pad Naar 't enge dal, waar liefst ik 't leven heb beleden. Waar, al te argloos kind, ik 't eerst heb liefgehad.

Zal ik nu gaan? Reeds raad ik 't avondmaal genoten; 't Is de ure des gebeds, vóór 't ingaan van den nacht... Wat zoude ik aarzelen? Wordt ooit de poort gesloten Van een verbeidend huis? En mijne schaamte wacht

Geen schouwtooneel van vreugd na voetval om ontfarming, Geen hokkeling geslacht bij ronkend feestgedruisch.... Slechts moeders schuwe zoen, slechts vaders stomme

[omarming:

Mijn zoon, mijn erfgenaam, wees welkom in üw huis!

En toch besluipt me één vrees: wat van den dag van

[mórgen ?

Wat, als het dórp ontwaakt ? Hoe durve ik ooit weerstaan Der buren schampren spot, in hoofdschen groet verborgen: Gedenkt ge ons nog ? Weer thuis ? En... schatten

[brengt ge ons aan ?

Sluiten