Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'T VERLATEN LANDHUIS

De late najaarszon ging dalen, En in 't verlaten beukenwoud Was 't loover in de laatste stralen Van louter vuur en louter goud ; Maar in de schaduwen der boomen Hing schemer als een teer beklag Van 't komend duister om het doornen. Om het verscheiden van den dag.

Er buigt een pad door donkre dennen Naar dieper eenzaamheden heen ; En langs de rimpellooze vennen Versmoort de tred in sponzig veen; Tot door de half ontblaerde twijgen, Langs de bemoste poorterskluis, Men met een trage bocht ziet stijgen Den oprit naar 't verlaten huis.

De waaksche Spits stuift ons ter zijde,

Snuift en herkent en ziet ons aan;

En volgt ons kwisplend waar we schrijden

Door de begreinde larixlaan;

En bij de voordeur spitst hij d'ooren

Om in de marmren hal 't geluid

Van naderende schreên te hooren....

Maar niemand die ons opensluit.

Sluiten