Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEEUWERIKSKEN

Het leeuweriksken vraget

niet of zijn lied behaget

aan wandelaars in beemd en veld;

het móét zijn vreugd verkonden;

dies, vroeger uchtendstonde

het jubelend ten hemel snelt.

Zijn hartje zwol van weelde toen het zoo dartel kweelde in prikkelende morgenlocht; dies, als de avond dalet en 't Westen purperstralet, hervat het zangerken zijn tocht,

en zingt, en juicht, en schettert zijn liedeken, dat spettert den stillen, klaren hemel in; of hem ook niemand hooret, zijn zang geen oor bekoret, het zingt uit louter zingensmin.

De leeuwrik kan mij leer en

geen lof ooit te begeeren

voor 't liedeken dat uit mij juicht;

het stijg' tot God omhooge

opdat Hij weten moge

hoe heel mijn ziel van Hem getuigt.

Sluiten