Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BELIJDENIS

Toen Uwe min er angst en nood uit bande En zonk, een licht, ten grondeloozen grond, Dat zij met gouden gloed betogen werden. Totdat hun droom zich spande en rees en blonk Om te versmelten in Gods eeuwigheid, Die de beperking hunner zinnen schendend Hen zalig maakte, aan aarde en lot onthief? Heb ik U nog niet lief genoeg om zoo Van Uw genade te zijn ingenomen, Is er nog één deur, die ik niet ontsloot? Maar Gij weet toch, Gij die toch alles weet, Hoe ik niets heb dan U.

Of kan het zijn, Omdat mijn liefde uit aardsche liefde wies, Ontknopte, toen mijn laatste hopen welk Verloren ging, dat Gij het zoo niet wilt? Maar werd ik dan niet arm, is alle glans Niet uitgewaaid? Ook heb ik haast die stem Vergeten en slechts in een droeven nacht Toen warm de Mei gegeurd heeft in den hof Heb ik geschreid — maar zonder tranen nog — Gij weet het, en daarna, daarna nog eens Omdat ik had geschreid tusschen die geur — Ik gaf het op, ik liet het alles los. Het liet mij los — en ik was zoo alleen. Ik gaf U dit mijn leven, waardeloos.

Sluiten