Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIDDACHTER ALLEE

Wie gaf niet gaarne zich in U gevangen Middachterlaan, waar ik mijn middag houd, Wijl zonnevlokken in uw dichte bladers hangen. Het gouden licht door tak en twijgen dauwt,

En langs de stammen glijdt het tot de voeten En draalt op ruwe schors, aan knoest en korst. Het flakkert zacht en beeft bij ieder nieuw ontmoeten. En trekt zich gierig weg maar heeft zich reeds vermorst —

O 't spel van zon en blad in deze hooge schelven Van groen dat zucht en zwelt, schier van den grond

[tot waar

Ik wolken wachten zou, en groene wolken welven Er als van wederzijds het loof rust in elkaar.

Dit is een vreugde weinigen gegeven; Een jongen loopt en fluit, nu lacht hij fluks en groet, Een man en vrouw zijn saam wat verder staan gebleven, 'k Hoor dat zij zingt — hij zwaait zijn strooien hoed;

Dan is de laan weer leeg — gaan zon en schaduw

[wijken.

Nu 't al te vluchtig goud daar stam naast stam beklom? Ginds raad ik huizen waar zoo struik als bloemen

[prijken;

'k Zie om naar Steeg en hoor de klok van Ellecom —

Sluiten