Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAJAARSLAAN

Ik keek in de gouden heerlijkheid Van een najaarslaan, Het was of ik goudene deuren wijd Zag openstaan,

Het werd mij, toen ik binnenging

Of ik door gouden gewelven liep:

Ik aarzelde even, ik ademde diep,

Diep van verwondering.

Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout

Doet wat verboden is;

Ik sprak: „Zijn voor mij die gewelven gebouwd?

Ben ik zoo rijk, dat van louter goud

De gang mijner woning is?"

Toen sprak ik: „Deze gouden grot

Is immers geen menschenpaleis."

Ik sprak: „Het is een betooverd slot,

Dat lang op sprookjeswijs

Geslapen heeft en stil gewacht,

Op één, die de poorten ontdekken zou.

De doode gewelven wekken zou

Van 't huis, dat ieder menschenhuis

Te boven gaat in pracht."

Ik sprak: „Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk!

Hoe ben ik zoo rijk, mijn God !

Sluiten