Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Inleiding.

Vanwaar komt die hartstochtelijke genegenheid, die onvernietigbare bewondering voor Frankrijk, levend in het gemoed van alle volken, en misschien in het hart zijner vijanden het felst? Is het om Frankrijks gratie, is het om zijn onsterfelijken levenslust, is het omdat de Franschen, gelukskinderen onder de menschen, „la douceur de vivre" kennen? Is het om hunne levenswijsheid, om hun weerzin tegen trivialiteit, om hun bedwongenheid bij schijnbare exuberantie? Is het omdat de Fransche cultuur, meer dan één andere zich voegt naar de wetten van het schoone? Of wel omdat wij in Frankrijk het Wonder aanvaarden, het wonder der geheimzinnige kracht in een volk, dat immer nieuwe taaiheid vertoont, wanneer het door kortzichtig en ten doode is opgeschreven?

Het zijn alle bepaalde zijden van onze liefde voor Frankrijk, die even rijk is aan hunkering als het wezen van Frankryk, die brillant met vele facetten, rijk is aan beschavingsnuancen. Maar het innigst van ons hart gaat uit naar Frankrijk omdat het menschelijk is. De Fransche cultuur is de verwezenlijking van eene schoone menschelijkheid. De Fransche geest is gericht op de kunst der samenleving, het Fransche gemoed ontbloeit in de gezelschappen. Weinig volken zijn minder metaphysisch aangelegd dan het Fransche. Zijn wijsbegeerte is over het algemeen concreet, ze geeft maximen van praktische levenskunst en menschenkennis. Zelden ontgloeide Frankrijk voor abstracte idealen, het heeft zich nimmer verloren in dorre spitsvondigheden, het is nooit dweepend of sectair geweest, en de groote geestelijke goederen die Frankrijk aan de wereld geschonken beeft, zijn over het algemeen niet waarden geweest, die aan abstract denken voortgang gaven.

Sluiten