Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standige leenmannen uit vroeger dagen, en beschouwden hunne provincie als een erfgoed. Eerst aan Hendrik IV zou het gelukken, na veel bloed en tranen, de grondslagen van het gecentralizeerd Staatsleven op nieuw te leggen, en nog daarna moesten de woelingen der Fronde Frankrijk bouleverseeren eer het de rust en de eenheid vond die onontbeerlijk was, zoowel voor zijn macht naar buiten als voor het opnieuw ontbloeien zijner cultuur. /~ Den algemeenen toestand kennend van een door veertig jaren van burgeroorlogen uitgeput en politiek versplinterd land, zou men de kronieken eigenlijk niet behoeven te lezen, om de zedelijke verwildering te vermoeden, waarin Hendrik IV Frankrijk aantrof. Tot in de kringen van het hof heerschte, nog in de tijden van het Regentschap van de weduwe van Hendrik IV en van haar zoon Lodewijk XIII, een zoo groote dierlijkheid van levensgewoonten, zulk een gemis aan moreel besef, dat wij het, indien wij den aard van den Franschen geest niet kenden, een wonder zouden achten dat de Natie uit dien toestand haar evenwicht terugvond. Ik moet U al de onsmakelijke anecdoten besparen, die U een duidelijk beeld zouden geven van de zeden in de hoogste kringen der Fransche maatschappij uit het begin der zeventiende eeuw. Maar wat te zeggen van een Markies de la Caze, een edel heer, die, aan een gastmaal, bij wijze van plaisanterie zijn tafelbuurdame met een vetten schapenbout in het aangezicht sloeg, zoodat haar schoon gelaat met sausdroppelen werd gedoopt — een aardigheid die de dame haar cavalier niet eens ten kwade duidde, maar waarom zij bijna van het lachen bezweek. Wat te zeggen van den graaf van Brégis, wien op een bal door zijne danseuse plotseling een oorvijg werd toegediend, hetgeen hij beantwoordde door de coiffure der dame los te wikkelen, zoodat zij met verwarde haren te midden van het gezelschap stond ? — En zelfs de Koningen waren van dergelijke gewoonten niet afkeerig, want toen Lodewijk XIII onder de menigte die was toegelaten tot het genoegen Z. M. te zien dineeren, eene dame bespeurde, wier gewaad hem niet beviel, lanceerde bij ten teeken van zijn ongenoegen, den inhoud van een beker wijn tegen de robe die aanstoot gaf. Het had zijn bezwaren, officier te zijn bij de lijfwacht van den Kardinaal df Richeliei%.

Sluiten