Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Liefde en leven in het elegante Frankrijk der achttiende eeuw.

Tot aan den dood van Lodewijk XIV schijnt Frankrijk aan de liefde een bijna goddelijk karakter toe te kennen. De liefde is, — en men denke daarbij aan de hoofdsche vormen en verhoudingen in het Hotel de Rambouillet, aan de Guirlande de ^ Julie, aan de journées der madrigaux in het salon van Mlle de Scudéry — de liefde is in de zeventiende eeuw een theoretische hartstocht, een dogma, omringd door een bewonderende aanbidding, die wel een eeredienst lijkt. De zeventiende eeuw heeft een gekuischte en geheiligde beeldspraak aan de liefde toegewijd, zij bedekt de sensualiteit met het onstoffelijk gevoelsleven, de liefde uit zich in woorden, zij put zich uit in sierlijke declaraties, als was zij van het leven der zinnen geheel los, en waren de man en de vrouw voorbeelden van zieleadel, van grootheid en edelmoedigheid, zij eischt gehoorzaamheid aan de geboden en het décorum der galanterie, zij wil dat de man aan de vrouw poogt te behagen, zij maant den minnaar tot geduld, zorgvuldigheid, zij vergt van hem — wij denken aan den markies van Montausier — langdurige beproevingen.

De zeventiende-eeuwsche minnaar moet smeeken, moet zuchten, moet knievallen doen als hem de gunst der schoone eindelijk wordt verleend, en als er gezondigd wordt, als er schandaal ontstaat, dan worden de zonde en het schandaal omgeven met een mantel van majesteit, zoodat fouten en schandalen den schijn aannemen van wellevendheid, van verontschuldiging, ja bijna van schaamtegevoel.

Zelfs Ninon de 1'Endos, de demi-mondaine onder de salonières, deelde haar gunsten uit met kieskeurigheid en dikwijls matigde terughouding deze exubérante natuur, terwijl

Een leven 3.

Sluiten