Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder de persoonlijkheden die te Sceaux verschenen mogen wij niet vergeten den pittigen Markies de Saint Aulaire. In de tweede periode van het salon stond hij als aan het het hoofd der geestige lieden, die de Duchesse hare „herders" noemde. Ofschoon hij al negentig jaar was — men werd oud in dien tijd! — ging hij gedichten maken op de prinses die naast hem wel een kind geleek. Het gaf haar een buitengewoon vermaak, door zulk een ouden herder te worden gecourtoiseerd; en zij maakte er een heele phantaisie van, vol van allerlei galanterie en mythologische vereering. In het volgend versje betuigde de oude man haar zijne genegenheid :

Ma Bergère, j'ai beau chercher Je n'ai rien sur ma conscience; De grace, faites moi pécher: Après je ferai pénitence.

Waarop zij, niet onaardig, antwoordde:

Si je cédais a ton instance On te verrait bien empêché Mais plus encore du pêché Que de la pénitence.

Ook Voltaire kwam dikwijls te Sceaux. Hij vluchte er heen, met zijn vriendien, Mme du Chatelet, als hij ongezien wilde wezen.

Zoo had hij in den herfst van 1746 zijn veiligheid in gevaar gebracht door een van die onvoorzichtigheden, waar hij zoo dikwijls in verviel, en vroeg op een avond een schuilplaats bij de Duchesse du Maine. Zij verborg hem in een verwijderd vertrek, waar de luiken den geheelen dag waren gesloten, en in den schemer van kaarslicht arbeidde Voltaire daar twee maanden lang aan zijn kleine vertellingen, die later onder den naam Zadig zijn bekend geworden. lederen avond sloop hij naar beneden om ze aan de Prinses voor te lezen, die gewoon was haar nachten slapeloos door te brengen, en die in dien tijd minder sliep dan ooit. En zooals deze verschijning had iedere komst van Voltaire aan het kleine hof van de Duchesse du Maine, haar bizondere, geheimzinnige bekoorlijkheid.

Sluiten