Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je zult 't wel moeten gelooven".

„Maar mijn hemel, eisch je niets meer, niet eens, dat hij je verlangt om je zelf, om hoedanigheden, die hij in je waardeert?"

„Waardeeren ?" waardeeren doet hij me, overdreven zelfs".

„Ja," bevestigde Clémence met schamperen spotlach, „dat denk je, om de klinkende loftuitingen waarmee hij bij elk knap meisje kan aankomen. Echte liefde is zoo luidruchtig niet; ik voor mij geloof trouwens niet, dat je bij André echte liefde kunt verwachten. Ik kan me in hem niet denkén dat groote verlangen om jou en jou alléén te bezitten, ten koste desnoods van k

weet niet hoeveel offers Weet je, uit zijn woorden

spreekt nooit eenigen diepgang; 't is of altijd de berekening vooraf gaat, welk effect ze zullen maken. Misschien, omdat ik een nuchter buitenstaanster ben, merk ik het eerder op".

„Kind, draaf toch niet door op zoo dolzinnige, bespottelijke manier! André is 'n schat, 'n verrukkelijke man, daar nu wéét je 't, jij met je waanwijze idees.' Bep

schopte een voetenbankje weg onder tafel „Jij

komt nooit aan Tien man, dat durf ik dan voorspellen ; *k zou niet weten, wie met zoo n overdreven schepsel wil zitten opgescheept.... Jij altijd met je uitvezelen van alles. Verrukkelijk-mooie praat, maar opschieten doe je er geen lor mee." Zij duwde het Richelieu-werk, waar-

Sluiten