Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een innig medelijden bracht Clémence in verzet tegen de wanverhouding, zooals zij nu was tusschen Bep en haar. Er bestond een middelweg tusschen schuld-bekennen en dit ongenaakbare. Met een paar oppervlakkige woorden — iets over het huishouden of zoo — kon het ijs gebroken worden.

Ze talmde, borg een en ander in de servieskast. Toen ineens vroeg ze, zich vermannend: „denken jullie morgen thuis te zijn, of in de Roemer Visscher ?" (De van Zuylenhovens bewoonden een rijk huis in de deftig-stille Roemer Visscherstraat). Ze vroeg het gejaagd, toch niet onvriendelijk of zonder belangstelling. Bep begreep de overwinning. Verrast, dat aan het lastig „stommetje-spelen" een eind kwam, vertelde ze opgewekt: „we drinken hier koffie, dineeren gaan we bij André, allemaal."

„Tenminste," voegde André er sarrend-onverschillig aan toe, „wie plezier heeft op de invitatie van m'n ouwe lui in te gaan. Mama en Jos hebben haar aangenomen, en jij.... enfin je bent absoluut vrij te doen, wat je wilt."

Hij stak de vingers tusschen de knoopen van het gekleurde vest, keek naar Clémence met killen blik. Toen ineens, zijn gesoigneerde hand, waaraan briljant-geschitter, terugtrekkend, omvatte hij Beps kin: ,,'t is een gemoedelijk entre-nous, waar lieve land?"

Clémence stortte lichtelijk bevend een zak met suiker leeg in de voorraads-bus, wreef de gemorste korrels van het tafelkleed in haar open hand.

Sluiten