Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op, legde het bol en frisch op de peluw terug. „U moet uw best doen wat te slapen, zei ze vriendelijk.

Telkens als Clémence de oogen opende, zag ze de verpleegster, die aan tafel zat met een borduurwerkje, waardoor regelmatig de naald heen en weer ging. „Lief, eenvoudig gezicht," dacht ze, „niet bepaald knap, maar zoo innemend, en zoo fijn-besneden."

Indommelend bleef haar zwakke geest met de pleegzuster bezig. Ze droomde van haar, een onsamenhangenden droom, dien ze zich later vergeefs trachtte te herinneren..

Toen ze wakker werd, was zuster van Berkel dadelijk bij haar. „Heeft 't niet goed gedaan zoo'n dutje ?" vroeg ze, den drank gevend.

„Jawel," glimlachte Clémence. Ze voelde zich veilig onder de verzorging van het geduldig zustertje.

Er kwam beterschap, doch een zeer minieme. Wel kon ze haar gedachten makkelijker verzamelen, maar ze behield nog het uitgeput gevoel en dien zwaren druk van melancholie. Ze geloofde niet, dat ze ooit de kracht en de animo tot studie, lessen, of welke bezigheid ook zou terugwinnen. Ten slotte, wat taalde ze er om, of het vroegere leven herbeginnen zou; het bleef het harde, moeilijke leven, waartegen ze niet was opgewassen, waarin ze alleen stond met het stormend verlangen naar Naar wat eigenlijk .... Het kon zijn, dat de koorts terugkwam, in erger mate dan te voren, en haar kracht, haar

Sluiten