Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zitten, de klamme hand der zieke omvattend. Zacht vroeg ze : „wat is er ?"

„Zoudt u denken, dat ik beter word ?" Clémence's adem ging kort en gejaagd.

Natuurlijk wordt u beter ; het mooie weer zal spoedig aansterken. Over 'n paar weken wandelen we samen in den tuin."

„Heusch ? denkt u 't ? — Anstige, wijde oogen staarden zuster van Berkel aan. „Zeg het toch eerlijk ; ik ben niet bang voor de waarheid."

„Waarom zou 'k niet eerlijk zijn; ik mag 't gerust voorspellen. We zijn al op weg naar beterschap." — het deed Clémence lachen, een kort cynisch lachje — „maar u moet zelf meewerken, alles willen doen, wat dokter Hesling zegt."

„Ik wil niet, ik wil niet leven ; ik snak naar dood-gaan, dóód-gaan." Clémence hief het hoofd uit de kussens, wierp het tegen den arm der verpleegster. Een smartuiting, woest en zonder beteugeling, deed haar lichaam schokken. Droge snikken schroefden haar keel dicht.

Zuster van Berkel drukte haar tegen zich aan. „Kom, moedig zijn.... Ik begrijp *t; dat gebeurt wel meer, wanneer men zich zoo zwak gevoelt, dat alle levenslust wijkt, dat alles zoo donker lijkt; maar later, wanneer u sterker bent, lacht het leven weer toe ; dan zult u die moedeloosheid zélf onbegrijpelijk vinden."

De woorden van zuster van Berkel hadden iets rustigs,

Sluiten