Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De rusttijd des middags, waarop ze meestal wegzonk m diepen slaap, leek een tijd, die werd overgeslagen.

Wanneer ze daarna frisch en onvermoeid, beneden kwam — Bep was dikwijls uitgegaan — ging ze m het salon. De schuttende stores temperden daar het licht op de zware geel-zijden gordijnen, op de witte berenvacht voor den nog ongebruikten van koper-glanzenden haard. Een kalm effect gaf zelfs het vele zilver achter de glazen deurtjes van het buffet.

Midden in de kamer op de gladde parketvloer stond de Bechstein.

Ze verzette de vaas met pauweveeren, klepte den vleugel open. Dan ging ze het een of ander spelen uit het bekend repertoire, dat nieuw werd in den klank van het prachtig instrument. Gretig beluisterde zij de mollige, warme accoorden, de afgeronde passages. Dit was het éénige, dat ze in Beps weeldeleven benijdde. Ze vond het onbillijk. Bep en André, de één nog onmuzikaler dan de ander, m het bezit van zoo'n goddelijken vleugel, alleen omdat het „rijk" stond, terwijl zij, die opging in muziek, zich tevreden moest stellen met de Perzina, die door het druk gebruik aldoor schraler werd van klank.

's Avonds zaten ze meestal bij „Hamdorff". De tuin, met de wit-glanzende slingers van electrische lichtjes, de gekleurde lichtjes tegen het donker van de boomen, de witgelakte tafels en stoelen, had iets feërieks, wat nog

Sluiten