Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Is hij gestorven ?" Clémence had in Laren dikwijls aan hem gedacht, zich overtuigend, dat deze nieuwe patiënt haar in het vergeetboek zou brengen van zuster van Berkel.

„Eergisteren is hij overleden. Uiterst kalm, 'k heb zelden zóó 'n mooi, tevreden afsterven bijgewoond."

Leny plaatste de kopjes met dampende thee op de vensterbank, kwam weer zitten.

„Geloofde hij aan 'n hemel?" Qémence vroeg het bijna schuchter.

„En óf hij V aan geloofde; hij was buitengewoon godsdienstig.

Clémence zat in gedachten, roerde met het lepeltje door de thee. „Geloof jij V óók aan ? of eigenlijk, nu ik weet, dat je katholiek bent, is dit misschien een allergekste vraag."

„Ik geloof er natuurlijk aan," bevestigde Leny.

„Vast en stellig?" bleef toch Qémence aandringen ; „met omdat het je eenmaal zoo geleerd is, maar uit eigen overtuiging ?"

„Zoo rotsvast, als je maar denken kunt, volstrekt niet alleen, omdat het me is voorgepraat. Vind je het iets buitengewoons in mij en in duizenden anderen ?"

Een schouderophalen was het antwoord.

„Wanneer je het bestaan van God niet aanneemt, dan kan ik 't me begrijpen. Maar om te beginnen, zal je dit moeilijk kunnen tegenspreken."

Sluiten