Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Voel je nooit verbittering? nooit iets opstandigs?"

,,'t Lijden mag ons niet opstandig vinden," zei Leny ernstig. „Lijden moet verheffen en veredelen; we kunnen het aanvaarden als een middel om onze schuld af te boeten; en schuld hebben we immers allen ?"

Ze liepen in het Vondelpark, op weg naar Leny s kamer.

Er lag iets sombers over het half-duistere park, waar de boomen de matte nuancen droegen van groen en geel Onder den grijs-grauwen hemel leek de natuur angstig en ademloos te wachten op de ontrooving harer sierselen. Binnen een maand zou alles hier naakt en koud te huiveren staan. Geen bloemen dan meer in de perken, geen vorstelijke zwanen door de vijvers. - In werkelijkheid zou het te dragen zijn ; in het vooruitzicht was het beklemmend -veai troosteloosheid.

„Zou Leny het óók zoo voelen?" peinsde Clémence, „zij met haar moedig innerlijk leven, zij die aan lijden zelfs zoo hooge beteekenis hecht ?"

,Je hebt toch gedacht aan die sonate van Brahms?" verbrak Leny een stilzwijgen. „Paul zou, als *t éénigszins kon, van avond komen."

„Ik heb 't boek hierin." Clémence zwaaide met haar muziektasch, en ineens was het, of het vooruitzicht van den prettigen avond opvroolijkte. „Gelukkig • 't was verleden week n echte teleurstelling,

Sluiten