Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben 'k in zoo'n obstinate bui weggeloopen. van een schutting gesprongen op gevaar af mijn beenen te breken ; kon me niet schelen, ik wou weg." Clémence wierp het hoofd achterover, keek zóó uitdagend, of ze weer voor de keuze stond : blijven, ergens waar ze niet aarden kon, of haar leven in de waagschaal stellen.

„Wat je jezelf als kind vergeven kon, zou 'k nu toch zien af te leeren," zei Leny gedwongen kalm.

„Afleeren ?" herhaalde Qémence ; „er vallen moeilijker dingen af te leeren dan een beetje koppigheid."

Leny stond in twijfel : uitvorschen, waarin de moeilijkheden bestonden, of niet. Toen ze zag de donkere kringen onder de oogen van Qémence en telkens het zenuwachtig schudden van haar hoofd, leek het verstandiger verdere opwinding te voorkomen. „Weet je wat," zei ze goedig en hartelijk, „afleiding is het beste voor je ; kom Zondag hier koffiedrinken ; dan vraag ik Paul, of hij 's middags met je komt musiceeren. Zullen we dat doen, zeg?

Qémence schrok. „Nee," hoofdschudde ze ; „ik blijf thuis." Het klonk bitser dan te voren. „Ik moest me kalm houden ; nu wil je me Zondags óók aan 't werk zetten. Mooie verpleegster, jij." Ze lachte schamper.

Leny, gewend zich naar zenuw-patiënten te plooien, liet het langs zich heen gaan, wist wel beter. „Vanavond," zei ze toegeeflijk, „kunnen we niet met elkaar redeneeren. Je bent vermoeid; als je thuis komt, moet je direct naar bed gaan." — Ze legde haar hand op den schouder van

Sluiten