Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Paul dien ééne te vinden. „O, ik wist zelf niet, dat ik zóó kon liefhebben, zóó kon hunkeren mij iemand toe te wijden. Zijn leven en het mijne hadden een schoone harmonie kunnen worden. Maar nu weet ik : hemelscher harmonie zal Uw liefde zijn, samenklinkend met wat er aan liefde leeft in mijn eenzaam, klein menschenhart" ....

Het lied was uitgezongen. Ze hoorde de menschen langs zich wegschuifelen, terwijl op het orgel gefantaseerd werd op „Wees gegroet, wees gegroet Maria."

Toen ze opzag, merkte ze de bijna eenig overgeblevene te zijn in de stille, groote kerk, waar het licht in de electrische kronen reeds was gedoofd.

Haastig ging ze naar den uitgang, fier het hoofd geheven. O nee, de strijd was nog niet uitgevochten, maar toch, nu was ze een Koningskind ! Overgaan zou ze tot het sterk, eeuwenoud geloof, zonder één klein-menschelijke

bijgedachte Dag aan dag zou ze bidden voor Paul,

bidden voor zijn geluk met het meisje, waarvan ze alléén wist, dat ze was het contrast van zichzelf. Had ze niet ergens gelezen: „Selig der Jemand hat, der fiïr ihn betet?" En voelde ze nu óók niet in het diepst van haar wezen, dat de hoogste liefde alle egoïsme uitsluit en tevreden is met voor den geliefde een overmaat van geluk

Sluiten