Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Meneer is niet thuis, ziet u, en 'k geloof niet, dat mevrouw bezoek mag hebben, gisteren tenminste nog

niet k Zal het in ieder geval even aan de Zuster

gaan vragen."

„Doe dat," zei Qémence verademend, en wetend, dat André afwezig was, ging ze het spreekkamertje binnen, waar een dikke stof op de meubels bewees, dat Beps zorg lang gemankeerd had. Ze ging zitten, stond toen ineens weer op, liep de kamer op en neer, bekeek gedachteloos een nieuw schilderij, ging weer zitten. Ze beefde.

Een pleegzuster, die natuurlijk door de kleeding dadelijk aan Leny deed denken, kwam binnen, zei in vormelijkkorte zinnen, dat Bep véél had geleden, nog bizonder zwak was en daarom geen bezoek mocht of wilde ontvangen. „Ze hoorde echter, dat u er was. Dringend heeft ze gevraagd u boven te laten. Langer dan tien minuten moogt u 't echter niet maken."

Een zucht van verlichting ontsnapte Qémence, en, nog wel bevend, maar van een andere gejaagdheid dan zooeven, ging ze de dikbelooperde trap op, bedenkend, wat ze het allereerst zeggen zou. Ze wist het niet, ze wist het niet. Het oogenblik zelf moest het haar ingeven.

En toen ze Bep zag tusschen de witte lakens, en kussens, vermagerd, verbleekt, de oogen groot en met een uitdrukking van onnoembaar leed, toen nam ze het smal gezicht tusschen beide handen, kuste haar wangen en haar voorhoofd. „Lief Beppekind wat ben ik je

Sluiten