Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XX.

EN Maartsche regenbui striemde de stad.

Clémence, alleen op haar kamer, hoorde de stralen spetteren tegen de ruiten. Opstaand schoof ze de overgordijnen, die bewogen

door het tochten der kieren, van elkander, en tuurde in het donkere buiten. Het water, waarover heel den dag de wind grijze vegen had gestreken, werd driftigvlug berimpeld met regenkringen, en klotste tegen den steenen wal, of het een uitweg zocht. Rillend droeg het onrustige zwart de bleeke spiegeling van de flauwflitsende lantaarns, een breed-uitloopende lichtbaan telkens op gelijken afstand van elkander. De plassen, op de naakte, kille keien, rilden in den jammerenden wind, die sloeg tegen de zware tak-armen der schijndoode boomen en die het fijner getak deed bibberen.

De stad scheen uitgestorven ; in de verte schimden de laatste menschen. Doelloos leek de trem, die de bocht maakte naar den Overtoom.

Een windstoot wierp in de buurt met kracht een luik dicht; ineens gaf het een bonzenden slag.

Clémence schoof de gordijnen weer dicht, zette een laag stoeltje bij de kachel, die snorde. Het geweld buiten

Sluiten