Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ontging Leny. Starend in de vlammen, die door den driftigen wind werden aangewakkerd, zei ze : „Als 't morgen maar wat is opgeknapt; Paul zou naar Vucht gaan, om 't Truus en haar man te vertellen. Truus had 't erg op met Wiesje, zooals ik tenminste uit 'r brieven begrijp. Ik geloof, als je getrouwd bent, door kinderen ouder en bezadigder wordt, dat je dan bizonder je voelt getrokken tot vroolijke, zorgelooze menschen. Ik weet niet, hoor, of 't zoo is ; ik veronderstel 't maar en meen 't op te merken bij Truus.

Er was even een tusschenpooze. „Aardig om t haar zelf te gaan vertellen," begon Clémence.

„O ja, wat dat betreft, Paul is er geen om te denken : die zusters van me zullen 't op een goeiën dag wel hooren. Hij is heel joviaal en meent 't verbazend goed met ons. 'n Pretje is 't niet, die heele historie te moeten vertellen. Al die dingen waardeer ik erg; ik herinner me nog goed Wiesje gezegd te hebben : „je krijgt 'n man, één uit duizend." Ach ja, en zij toen : 'n schat hé ?... n dot!...

Een gulle lach van Clémence, om het geestig imiteeren van Leny, en om het enthousiasme over Paul, vulde de kamer. „Kom," ze vatte Leny bij den arm — „zou je niet denken, dat zij gauw zal vergeten? Als je zoo spontaan bent, vind je spoedig iets anders om je met hart en ziel op te werpen. Of denk je van niet ?

Leny staarde voor zich uit; zwaar voelde ze drukken het leed èn voor Paul èn voor Wiesje, maar zwaarder nog

Sluiten