Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wit kleed van vernedering. De gedachte, dat hij ook haar zou worden toevertrouwd, deed huiveren van geluk, en van onwaardigheidsgevoel. Moest dan niet de glorie van Gods lief dezon glanzen over haar denken, haar daden, en haar wenschen ? Moest niet haar leuze luiden : „Fiat voluntas tua ? * — Uw Wil geschiede,' niet gepreveld met wrok in het hart, maar gezegd en herhaald, met overtuiging, fier het hoofd geheven, ten teeken, dat gegeven werd, wat te geven viel, een „fiat," zooals Christus sprak in den Olijvenhof, toen de zwarte ondankbaarheid der menschen zich om Hem hulde als een blinde nacht, waardoor het zonlicht geen baan kon breken. Het bracht in herinnering de ^plechtigheden van Witten Donderdag en Goeder Vrijdag met de indrukwekkend-sobere herdenking van Christus lijdenstragedie. Geschouwd had ze in een wereld van mysteriën, met als donkeren achtergrond de onmetelijk-droeve klacht : „Popule meus, quid feci tibi ? aut in quo contristavi te ?" ]) Het was wonderlijk-plechtig en roerend geweest.

Toen, na de stille rouwdagen was de Paaschjubel losgebroken, het Alleluja had gegalmd tusschen de kerkbogen, was losgeschald ook uit haar ziel, waar de verrijzenis ging beginnen, het opstaan tot een moedig, krachtig leven.

0 Mijn volk, wat heb ik U misdaan ? of waarin heb Ik u bedroefd ?

Sluiten