Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Clémence, haar zwart-strooien hoed afzettend. „Heb jij óók, als je het voorjaar voelt naderen, soms ineens zoo'n heftig verlangen naar buiten, naar de bosschen, waar alles aan 't uitbotten is, waar alles om je heen een wónder moet zijn ?

„O, éénig is t juist nu er even tusschen uit te kunnen, 'k Ga m'n hart ophalen aan heerlijke wandelingen ; Truus d r kinderen zijn r op getraind.

Clémence ging zitten. „Misschien heb je nog een en ander te beredderen voor morgen ; zit 'k heusch niet in den weg?

„Welnee, natuurlijk niet." Leny, in het vooruitzicht van de dagen bij Truus met het heerlijk-kleine grut waarover Truus schreef, dat het in de wolken was over tante Leny 's komst, in het vooruitzicht ook van de intieme plechtigheid op aanstaanden Dinsdag, waarna ze Clémence feestelijk zou onthalen op deze dan met bloemen versierde kamer, was buitengewoon in haar nopjes.

,,'k Heb 'n mooi verzenboek ter leen, wil je t eens inkijken ?" vroeg ze opgewekt. „Terwijl zorg ik voor t koffertje."

Clémence sloeg het boek open. Leny nam een naaidoos, zette haastig eenige bijbengelende knoopjes aan een blouse en een wit kraagje op het grijs jacquet.

„Laat mij die prutsdingetjes nu doen. * Qémence trachtte het werk uit haar handen te krijgen.

„Wil je één-twee-drie doorlezen ! is t boek niet mooi ?

Sluiten