Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Even kwam hij terug op de ontmoeting in het Concertgebouw. „Jij hebt zeker B'1 ?" vroeg hij. „Jij B1 ?"

„Ja ; dien middag, dat ik je zag, had ik 't abonnement van iemand op de Bank. We hebben elkander toen maar vluchtig gezien ; gek, in 't gedrang, zóó zie je elkaar, zóó ben je elkaar kwijt. Ik had

Leny, wel wetend, dat ze niet veel meer in de melk had te brokkelen, nu Paul en Clémence over muziek begonnen, viel in de rede: „Zeg, als jullie 'r niet op tegen hebt, pak ik m'n spulletjes verder bij elkaar."

Paul keek de kamer in. „Kan je nog zien ?"

„Voorloopig wel; anders steek ik 't schemerlampje wel aan."

,,'k Ga bijtijds naar huis," verzekerde Qémence; „je moet morgen vroeg uit de veeren, waar Leny ?"

„O, daar hoef je je niet om te reppen," praatte Leny luchtigjes ; „aan vroeg-opstaan ben 'k zóó gewend."

Het leek Clémence een droom, dat ze hier samen was met Paul, met hem spreken kon, zooals ze in stille alleenheid met hem gesproken had, over de concerten van het bijna afgeloppen seizoen, de solisten, die voor beide series waren opgetreden, over het onderricht bij Pater van der Hoeven — dien hij toevallig kende van het eerste jaar op Katwijk — over zijn werkkring, of, niettegenstaande het voortdurend gecijfer, de animo kon worden levend ge-

Sluiten