Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoezoo ?..." Clémence voelde in dit enkel woord haar stem beven. Als 't eens waar was .... Als t eens waar was !...

Zijn scherp-belijnd prohei keerde zich naar haar. ,Is 't nooit tot je doorgedrongen, dat "

Zij keek vluchtig hem aan ; hij zag bleeker dan te voren, zijn lippen beefden, toen hij hoofdschuddend zei: „Nee je kunt dit niet weten van mij, we spraken elkander zoo weinig en altijd zoo vluchtig. Maar, al was 'k alleen, altijd heb ik aan je gedacht, met je meegeleefd, in al de misère, waar je doorheen moest. Ik heb bewonderd, reusachtig bewonderd, je doorzettingsvermogen, dat met al die strubbelingen niet is gaan wankelen.

„Ach," weerde Clémence, alsof ze dat niet wilde van hem : bewondering.

„Jawel; je staat hoog in mijn vereering, zoo hoog, dat ik meermalen heb geaarzeld, of 'k zou durven bekennen, dat..." Hij schouwde haar recht in de oogen. „Mag ik 't zeggen?"

„Je mag," zei Clémence stil.

„Je begrijpt me, je begrijpt me?" Paul omvatte haar arm.

Het hoofd gebogen, het gezicht verscholen onder den breeden hoedrand, bekende Clémence : „Ik begrijp het." Plechtiger kon ze niet spreken, wanneer ze straks bij het Doopsel zou zeggen, dat ze geloofde, dat ze verzaakte

Sluiten