Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en eigendunk Ik moet bekennen, den eersten tijd

waren we gelukkig, Wies en ik, werkelijk 't is zoo. Ik voelde me weer jong en blijmoedig, zooals zij. Maar op den duur kan toch 'n mensch zijn natuur niet verloochenen; ik bemerkte, hoe ons engagement voor mij hoe langer hoe armer werd aan illusies. Jij kwam weer tusschen ons staan ; ik maakte vergeKjkingen, die in jouw voordeel altijd uitkwamen."

Even wachtte Paul. Toen Qémence geen verwijten maakte, geen oordeel velde, ging hij door: „Na een luttele maand insinueerde ik op het verbreken van onze verloving. Wies wilde er niet van hooren, noemde me „malle jongen en „zoo dwaas-ernstig". Hoe meer ik mij van haar afwendde, hoe meer zij me zocht; ze was zoo gepassionneerd. Op 't laatst kon ik 't niet meer hebben, vond dat opdringen onuitstaanbaar. Toen moest 't uit zijn."

„Had je niet erg met 'r te doen?" Qémence kon nu in allen omvang de teleurstelling meten van het meisje, dat Paul zoo dicht naast zich had geweten als zij op dit oogenblik.

„Ik had diep medelijden, maar mocht 'k doorzetten, overtuigd, dat de liefde voor haar hoe langer hoe meer verging? De veiTukking over haar jeugd was bekoeld, ik wist iets anders noodig te hebben dan dit overdreven spontane. Ik vind 't vreeselijk, dat ik haar tot een slachtoffer heb gemaakt, en toen ze haar verloving afmaakte met scherpe verwijten, kon ik dat vergeven. Véél onwaars

Sluiten