Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel jammer," bekende Clémence, „dat we ten koste van een ander ons geluk bereikten...." Hoe gunde ze nu ieder mensch groote, heerlijke blijdschap 1

„Wiesje is er gauwer overheen, dan je de eerste dagen zoudt gedacht hebben," verzekerde Paul.

„Meen je dat ? '

„Ik ben er bijna van overtuigd, 'k wed dat ze met allerlei pretjes weer meedoet."

,,'k Zou haar willen zien tennissen en fietsen en moppen-spelen, allerlei dingen, waar ze in opging, nietwaar ? '

Paul drukte haar arm tegen zich aan. „Dat ze jou konden verstoeten, met je goed hart."

„Ja goed, maar óók trotsch en obstinaat." Ze dacht aan de feiten, waarbij deze hoedanigheden naar voren waren getreden, en ineens vroeg ze: „Is t geen bezwaar, Paul, dat ik je bij m'n familie niet introduceeren kan, dat ze mij hebben uitgestooten ?"

„Het is 'n gemis, dat we samen dragen zullen, dat altijd voor jou helaas het zwaarst zal moeten wegen."

„Misschien, nu 'k verloofd bén — de éénige glorie, die Mama zich van ons droomde, — kan ik toenadering bewerken. Misschien zullen Mama en Jos mij, evenals Bep, tóch ten laatste terugverlangen."

„Ik geloof nu minder dan ooit," voelde Paul zich gedwongen te zeggen. „Waar aan één Katholiek het huis werd ontzegd, zullen twee weinig kans op toegang vinden. Zou je werkelijk bij ze terug willen ?"

Sluiten