Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja," bekende zij oprecht. „Ik kan zoo makkelijk vergeven nu; alle grieven verghuizen in de zon van mijn geluk, 't Is een droom, Paul, heusch 't is een droom. Straks, als 'k alleen ben, zal 'k niet kunnen begrijpen, dat aan mijn eenzaamheid een einde komt, dat jij van me houdt en voor me wilt zorgen, en wederkeerig ik mag zorgen voor jou, dat we een geloof belijden, en zoo'n heerlijk, grootsch geloof. Vind je 't Katholicisme niet geweldig, sta je er óók niet voor in bewondering?

„Zeker, het staat hoog in mijn leven."

„Hooger dan je liefde moet het staan."

„Heb ik 't niet bewezen, toen ik mij van je afwendde ?"

„Ja — haar oogen straalden naar de zijne — „je bent mijn moedige ridder, flinke Paul!... Als 'k nu denk," besloot ze, „dat we door eenzelfden strijd, tot elkaar zijn gekomen."

„Eenzelfden strijd ?..." Paul begreep, dat zij wederkeerig om hem had geleden, en zijn stem verinnigde : „we zullen elkander méér waardeeren, gelukkiger zijn, omdat er zooveel moeilijkheid en teleurstelling aan ons geluk vooraf ging."

„Je begrijpt," vroeg ze, „dat ik heel lang op je heb gewacht, en om je heb geleden ? Tóch zou ik je gemis

hebben gedragen; ik kón 't, door de kracht van 'tgeloof."

„Moedige lieveling." Paul omklemde haar hand. „Wat zullen wij ons in elkander enorm sterk voelen."

Clémence kon niet antwoorden, maar ze dacht : „eigen-

Sluiten