Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den-zelf nog weer een distinctie-middel creëerde — thans, nu het student zijn allerminst meer een distinctie-middel is, maar „commun", doet de adellijke titel in de studentenmaatschappij opnieuw weer opgeld. Dit bewijst niet, dat de hedendaagsche studenten wereldscher of ijdeler zijn dan die vroegere, maar dat dezen op andere wijze hun distinctiezucht bevredigen konden.

Curieuse voorbeelden zijn er te over, van dit verwisselen van het eene distinctie-middel voor een ander, een zeldzamer. De man, die als doodarme scheepsjongen naar Indië is gekomen en het bijvoorbeeld tot chef van een handelshuis heeft gebracht, zal niet gaarne over zijn afkomst spreken, deze eerder verbergen, want al is de promotie honorabel — er zijn toch altijd vele chefs van vele handelshuizen, en hij zal van zijn gansche familie bijvoorbeeld alleen dien éénen achterneef, die officier was, noemen. Brengt hij het echter tot Raad-van-Indië — dan krijgt zijn promotie iets sprookjesachtig romantisch' en zal hij, de zeldzame distinctie van sprookjesachtig romanheld verkiezend boven de minderzeldzame van man-van-goeden-huize, zijn schamele afkomst, die hij in bescheiden positie zorgvuldig verloochende, vol trots en glorie aan iedereen openbaar maken en het portret van vader-den-timmerman en moeder-de-waschvrouw verhuist uit het stof van den rommelzolder naar de eereplaats in het salon.

Alles wat we doen tot ons behoud en tot onze glorie — ten einde te zorgen, dat we niet „verdwijnen", lichamelijk of geestelijk, is tot distinctiedrang terug te brengen. De distinctie-wil is primair, zijnde onmiddellijk voortvloeiende uit de noodzakelijkheid van ons bestaan, zich in ons voordoende als begeerte om te bestaan — daarom kan men ook bezwaarlijk, zooals velen doen, den Machtswil als primair beschouwen, wèl hangt de machtswil onmiddellijk samen

Sluiten