Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kundige Verhandeling" toe — en men zal toch van Spinoza bezwaarlijk kunnen zeggen, dat hij „cynisch" of „pessimistisch" was. Wel schijnt het ons, dat Hobbes in mindere mate rekening houdt met „goede" menschelijke eigenschappen zooals broederschapsgevoel, medelijden en onderlinge liefde, doch dit is slechts schijn: hij stelt de „natuurlijke vijandschap" der menschen alleen daarom zoo scherp, om tot zijn scherpe conclusie: de noodzakelijkheid der absolute monarchie te kunnen komen, terwijl Spinoza meer plaats kan geven aan de persoonlijke zedelijke waarde, omdat er in zijn conclusie ook meer ruimte voor persoonlijke zedelijke zelfwerkzaamheid zal zijn.

Wij gelooven niet dat Hobbes de menschelijke natuur zulk bitter onrecht deed als teerhartige ethici in onze dagen het wel eens willen doen voorkomen en we gelooven met hem, dat de noodzakelijkheid eener „geordende maatschappij" niet geboren is uit het feit, dat we broeders zijn, maar uit het feit, dat we vijanden zijn.

Aldus komen we tot deze, paradoxaal-schijnende, maar in waarheid zeer logische en eenvoudige gevolgtrekking, dat de allereerste voorwaarde voor het individu, om zich te kunnen onderscheiden (d.w.z. om te kunnen leven) gelegen isinhetaanvaardenvandeuniformiteit. Hoe het samenleven binnen de collectiviteit die beide samenvallende, tegenstrijdige eischen oplost, hopen we zoo meteen na te gaan. Houden we ons thans een oogenblik bezig met de levensvoorwaarde van de collectiviteitzelve.

Van het oogenblik af, dat het individu opgaat (ondergaat) in een collectiviteit, vervangt deze de persoonlijkheid, die ze voortaan vertegenwoordigt. Aldus zelf tot „individu" geworden, zal de collectiviteit zich van andere collectiviteiten willen (moeten) onderscheiden, ten einde te blijven

Sluiten