Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin het niet om het „nuttige" of „schadelijke" der conclusie, ja zelfs in het geheel niet om een conclusie, maar om de zuiverheid der redeneering gaat.

Dit zijn geen „argumenten" van heden of gisteren, men vindt ze reeds in de briefwisseling van Spinoza met zijn Londenschen vriend Oldenburg, waar deze hem de volkomen gelijkluidende bezwaren der Christelijke tijdgenooten tegen Spinoza's vervanging van „Vrijen Wil" door Noodwendigheid overbrengt. Spinoza antwoordt daarop in zijn bedaarden, goedmoedigen trant, met de zeer curieuse uiting — waarop we ter zijner tijd terugkomen — dat dit alles de redeneeringen zijn van hen, die de menschen gehoorzaam, niet w ij s willen maken! Een zinnetje, waaruit zal blijken heel wat te halen te zijn! En hij herhaalt dan altijd maar weer z ij n argument — of liever zijn geruststelling aan hen, die voor tuchteloosheid vreezen — dat de deugd alleen het ware geluk, de ondeugd het ware ongeluk is. Wat Plato ook al zeide — in tegenstelling met velen zijner tijdgenooten, die den tyran wèl haatten, maar tegelijk benijdden — „de tyran is niet alleen de slechtste, hij is ook de ongelukkigste mensch."

Velen, die met de argumenten van „straf" en „belooning" niet zoo grif meer voor den dag willen komen, maar toch ook van den „vrijen wil" geen afstand kunnen doen, spreken met een bedenkelijk gelaat over „fatalisme".

Deze menschen zijn, als wij allen, fatalist in tientallen dingen, bijvoorbeeld wanneer ze zich beklagen over hun slecht geheugen, wanneer ze afwachten of hun meisje wel „aanleg" heeft, vóór ze het tot zangeres bestemmen en hun jongen een „rekenhoofd" voor ze hem wiskunde laten studeeren — men ziet ze volstrekt niet gebukt gaan onder, of iets van hun levensvreugde inboeten bij het besef, dat ze derhalve in hun beroepskeuze volstrekt niet „vrij" waren

Sluiten